DE TEGENSTELLING TUSSEN DE WERELD EN DE SFEREN


Bron: 28 februari 1958 , ODV


Goedenavond vrienden.

Wij, sprekers van deze groep, zijn niet alwetend of onfeilbaar. Onderzoek de dingen, voordat u ze
aanneemt, zover het u mogelijk is; onderzoek alles op aanvaardbaarheid voor uzelf. Indien het
aanvaardbaar is, laat het dan niet bij de theorie blijven, maar brengt het in de praktijk. De
volgende vrijdagavond is vragenavond. De tijd na de pauze zal worden besteed aan het
beantwoorden van vragen.

Ik zou willen spreken over: DE TEGENSTELLING TUSSEN DE WERELD EN DE SFEREN


Wij weten allemaal, dat een mens die overgaat, na zijn overgang in een andere wereld belandt.
Die wereld is dan weer verdeeld - sprekend vanuit een aards standpunt - en je hoort dan weer
spreken van meerdere sferen. Nu is die afleiding "sferen" (afkomstig) van de oude beschouw-
ingen betreffende wereld en heelal. Men dacht toen namelijk, dat de sterren en planeten in een
aantal kristallijnen sferen zich bevonden, dus doorzichtige bollen als het ware, en in die bollen
zaten dan lichtjes, die bewogen. Later heeft men dat woord ook willen toepassen op de
geestelijke werelden. Het is begrijpelijk, dat zo een sfeer aanmerkelijk moet verschillen van de
aarde. Daar het uiteindelijk ons aller voorland is om in de sferen te gaan - ik ben ook nog lang niet
aan mijn eindpunt - vond ik het wel eens aardig om nu speciaal die tegenstellingen tussen
geestelijke en stoffelijke werelden eens nader met u te beschouwen.

Op aarde lijkt het, alsof je zelf meester van je lot bent. Maar je wordt heel vaak door
omstandigheden buiten je beheersing gedwongen in een bepaalde richting. De vrije wil is op
aarde niet een waan, maar dan toch zeker een beperkte vrije wil. In de sferen daartegen geldt,
dat de wil, de wens en de gedachte samen de wereld uitmaken.

Voorbeeld: Een jongeman op aarde komt een aardig meisje voorbij. Hij zou willen, dat zij nog een
keer voorbijkwam, dan zou hij haar misschien aanspreken, maar hij durft niet. Op aarde is het
moment voorbij, misschien ziet hij dat meisje nooit meer terug. Dezelfde toestand in de sferen
gezien. Jongeman ziet aardig meisje aankomen. Zij gaat voorbij. Hij denkt: "Kon ik maar met
haar spreken. Oh…! Daar komt zij weer terug, alsof zij nooit voorbij gegaan was. Zij is
onmiddellijk voor hem, zodat hij contact met haar op kan nemen. Dit is nu één zo'n voorbeeld,
maar je kunt het op honderd andere manieren doen.



Op aarde krijg je je woning toegewezen. Ik heb gehoord, dat je naar een gemeentelijke instantie
moet gaan om een woning op de bon te krijgen... Bij ons is dat anders. Je denkt je eigen woning,
je verwacht een woning. Zoals je je woning bedenkt, - niet uiterlijk, maar van binnen uit - zo krijg
je hem. Wanneer een simpele ziel overgaat en denkt, dat de hemel bestaat uit een villawijk met
allemaal villa's, personeel, rijkdom en vierenveertig kamers, dan kun je er verzekerd van zijn, dat
hij in een dergelijk huis zal kunnen wonen. Want dit huis is uit zijn eigen gedachten geconstru-
eerd.

Wanneer je op aarde leeft, dan kun je wel eens iemand ontmoeten, die je niet verstaat. De taal
is verschillend, misschien ook het niveau van intellect, en daardoor kan men elkaar niet
begrijpen. Dat kan op aarde soms zelfs noodlottige gevolgen hebben. In de sferen is dat niet zo.
Wanneer je iemand waarneemt, dan kun je met zo iemand ook contact opnemen. In dat contact
is een wederzijdse mededeling altijd mogelijk. Naarmate die mededeling meer abstract is, is zij
gemakkelijker te volbrengen. Wil je gaan vertellen, dat je op aarde hebt geleefd en
schoolmeester bent geweest, dan wordt het iets moeilijker, maar zelfs dan kan een begrip
worden geschapen door het projecteren van gedachten.

Het contact is verder gelijktijdiger, inniger, intiemer en ook weer onpersoonlijker in de sferen. Als
je op aarde met iemand contact hebt, kun je je hart wel eens tegen elkaar uitstorten. Maar als ik
zo te rade ga bij mijn eigen ervaringen, stort je je hart nooit helemaal uit; want je hebt altijd nog
wel dingen, waar je nooit over spreekt. Dat is in de Lichte Sferen niet mogelijk. Wanneer je daar
a.h.w. contact krijgt met iemand, dan is het alsof je elke gedachte, die de ander heeft, ook kunt



begrijpen en verstaan. Er is dus geen sprake van een mededeling met woorden, maar een
mededeling, die alles inhoudt, tot het gevoel toe. Als je zo contact hebt en degene, die met je
"spreekt" droevig is, dan voel je in jezelf diezelfde bedroefdheid. Als er iemand blij is, is het alsof
die blijdschap volledig de jouwe is. Zegt hij iets en liggen daar bepaalde redenen aan ten
grondslag - hij wil je iets leren, van je leren, enz. - dan is niet alleen de directe uiting kenbaar,
naar ook de drijfveer erachter. In zekere zin woon je dus eigenlijk in een glazen huis. Wanneer je
met iemand contact opneemt, kun je dat alleen eerlijk doen.

Dat geldt alleen voor Lichte Werelden. Maar als er Lichtende Sferen zijn, moeten er evenzeer
duistere sferen zijn. Je hebt op aarde geleefd en (hebt) een groot schuldbewustzijn. Dat maakt op
aarde geen verschil uit. Wanneer je invloed of geld hebt, dan kun je het overal toe brengen.
Vroeger werd je koning, tegenwoordig kun je minstens minister-president worden, of nog beter:
minister van buitenlandse zaken zonder portefeuille. Of je dat schuldbewustzijn hebt of niet, daar
bemerkt niemand iets van. Het blijft van binnen. Maar wanneer je wereld wordt gemaakt door
wat in je leeft, dan is het duidelijk, dat het schuldbewustzijn, dat zelfverwijt, naar buiten moet
komen. Dat betekent dan gelijktijdig een beperking van je bestaan. Datgene, wat je eigenlijk
vreest als een repressaille tegen je onrechtmatige daden, wordt in die andere wereld
verwerkelijkt.



Voorbeeld op aarde is er een handige jongen. Hij overvalt een bank. Hij steelt een poet van $
100.000. Hij weet die weg te werken, neemt een goede advocaat. Als hij gearresteerd wordt,
wordt habeas corpus (termijn van gevangenneming; Red.) uitgeschreven, waardoor hij dus weer
uit de bewaring wordt vrijgelaten. Het kost hem $25.000 en hij is "mijnheer". Dan kan hij twee,
of 3 man neergeschoten hebben, maar dat gaat niemand iets aan. Hij kan tegen zichzelf zeggen,
dat hij mooi weer gaat spelen in een andere staat en vakantie houden, want hij heeft toch genoeg
"verdiend". Hij weet voor zichzelf, dat het toch niet helemaal in de haak is.

Nu komt diezelfde man in de sferen terecht. Daar is het niet zo licht (eenvoudig), want hij heeft
te veel te verbergen en durft geen contact met anderen op te nemen. Nu denkt hij eraan, dat hij
die overval heeft begaan en ineens ziet hij, dat die doden weer opstaan. Die gaan achter hem
aan: een dolle achtervolging. Duizenden kwellingen. Eindelijk blijft hij staan, de doden zijn
verdwenen. Hij heeft niet de moed om dat prijs te geven, want hij heeft nog steeds het idee, dat
hij die buit moet weten te behouden. Resultaat: weer diezelfde scène, weer diezelfde kwellingen
en dat desnoods tot in het oneindige toe, totdat hij zelf eindelijk bekent, dat het stelen fout is en
dat hij dus in zijn droombeeld weigert om met zijn bankoverval te beginnen, of door te gaan.

Dan is pas die magische ban verbroken. Gedurende die periode kunnen anderen wel waarnemen,
hoe hij denkt en voelt. Maar hij kan niet waarnemen hoe anderen denken en voelen, omdat hij
zichzelf volledig heeft afgesloten.

Zo is het vooral voor degenen, die het op aarde soms niet erg nauwkeurig nemen met sommige
dingen, niet altijd prettig. Je moet het niet zo erg groot zien, hoor. Het is niet zo, dat, wanneer je
je belastingbrief onnauwkeurig hebt ingevuld, je in de sferen komt en je plotseling door minister
Zuurhof achtervolgd wordt...

Steeds, in verhouding tot het schuldbewustzijn en de begeerte, die het (er)kennen van de schuld
onmogelijk maakt, ontstaat er in de sfeer een kwelling. Soms kunnen meerdere wezens in één
zo'n sfeer contact krijgen, dan kan zich daar een hele gemeenschap vormen, een soort stad.
Ieder heeft een geheim. Ieder probeert de ander te vlug af te zijn en niemand lukt het eigenlijk.
Het resultaat is, dat het leven daar allesbehalve prettig is.



Wanneer je op aarde leeft, dan ben je gewend, dat je er als een mens uitziet, meer of minder
netjes. Je verwacht van je omgeving, dat zij ook mensen zijn. Wanneer hier (op aarde) de een of
ander zich plotseling zou veranderen in een draak, zou men toch op de vlucht slaan, of raar
kijken. In de sferen is vorm maar een zeer vluchtig iets. Wij kennen geen vormen meer, zoals
mensen. Wij hebben de gedachte, dat een vorm bepalend moet zijn voor zijn inhoud, allang
prijsgegeven. Integendeel: wij zeggen, dat elke inhoud zijn eigen vorm moet scheppen.

Nu spreek ik daar met iemand, die mij lijkt te zijn volkomen gelijk (aan) mijzelf. Stel: een soort
kleurige bol, die in zich allerhand licht heeft. Nu kom je op een gegeven ogenblik met die ander
in contact en je spreekt een tijdlang samen, tot je plotseling iets in jezelf voelt als een soort
geheimzinnige stilte, zoals je wel eens kunt hebben in een kathedraal. Als je daar binnen gaat,
dan is het, alsof een gewijde rust op je valt. Gelijktijdig hoor ik geen klank meer, begint die ander
te veranderen, tot er alleen nog maar een Licht overblijft, waarin niets meer apart gecentra-
liseerd is. Dan weet ik, dat het contact met die ander verbroken is. Ik kan niet meer begrijpen,



wat hij is en wat hij zegt. Maar hij heeft zich als mijn gelijke kunnen uiten. Aan de andere kant kan
ik bv. in een vorm naar beneden toe gaan. Dan neem ik een vorm aan, omdat die vorm daar
noodzakelijk is. Het is meer een soort maskerade, van ernstig karnaval. Je vermomt opdat een
ander je zal aanvaarden, voor datgene, wat nodig is. Op de aarde is een vermomming niet vol te
houden, bij ons wel. Op het ogenblik, dat die vermomming onmogelijk is, keer ik terug tot mijn
eigen wereld en vorm. Degene, die met mij heeft gesproken, ziet mij plotseling veranderen in een
zuil van lichtende kleuren, die langzaam als een luchtballon naar boven wegtrekt achter het Licht
of schaduw.

U zult begrijpen, dat die tegenstellingen het erg moeilijk maken om nu te praten over de wereld
van de sferen. Er zijn er onder ons, die zelfs complete landkaarten geven. Daar is een vijvertje,
daar een boerderijtje, een bosje, een bergje. Dit is een zeer subjectief, uit het "Ik" geboren
inzicht omtrent de waarheid. Het is haast onmogelijk om de sferen te beschrijven vanuit een
aards standpunt. Doe je het toch, dan moet je noodgedwongen onjuist zijn. Dat is ook alweer een
verschil tussen de aarde en de sferen. Op aarde, zijn veel dingen beschrijfbaar. In de sferen zijn
zij dat niet, tenzij uit een zeer persoonlijk standpunt, zodat het beschrevene voor anderen
absoluut niet zo hoeft te bestaan.



Wat is het nut ervan? Er zijn een hele hoop mensen op aarde, die met hun gedachten proberen in
de sferen te leven. Dat kan niet. Een sfeer kun je beleven, maar nooit er in leven. De
werkelijkheid van een stofmens zal altijd in een stoffelijke wereld blijven, omdat zijn
begripsvermogen niet in staat is zich daaraan te ontworstelen. Elke stoffelijke ervaring is voor de
geest een schimmige herinnering. Zoiets, wanneer u een film over Indianen hebt gezien. Aan de
andere kant, elke beleving van sferen voor een stofmens is a.h.w. een gevoel, het ondergaan van
iets. Verder niets. Je kunt nooit meer zeggen, dat het zó was. Wanneer dit nu zo is, dan kun je dus
alleen uit een zuiver persoonlijk standpunt die sferen benaderen. Het verschil is veel te groot om
te trachten objectief een geestelijke wereld te beleven. Het kan pas, wanneer je er zo hoog boven
staat, dat je de gemeenschappelijke waarde van elke sfeer geheel kunt begrijpen.

De eerste noodzaak is dus wel om op aarde te trachten het begrip van de Hoogste Sfeer, dat je
in je draagt, binnen de vormen van de aardse stoffelijke wereld te verwerkelijken.

In de tweede plaats, wanneer wij uit de geest op aarde willen werken, dan moeten wij van
krachten gebruik maken, die wij eigenlijk niet meer hebben. Zo moeten wij eerst werken met
magnetische krachten, uitstraling van de mens, de kracht van de mens, luchtelektriciteit en nog
wat om tot werkelijk tastbare resultaten te kunnen komen. Bv. de tafel even hoog te laten
zweven, even de microfoon goed te zetten zonder er met je handen aan te komen, dat vraagt
heel wat krachten. Wij zijn n.l. niet gebouwd om dergelijke prestaties te leveren. Wanneer dat
toch gebeurt, dan zijn dat heel vaak wezens, die het anders heel erg moeilijk vinden om hun
eigen geslotenheid te verbreken en die dus zo'n krachtsinspanningen gaarne geven, omdat zij
voor hen een contact met de wereld betekent, contact met het leven.

Wanneer de mens vanuit de stoffelijke wereld iets in de geest wil doen, dan zal hij daarvoor
afhankelijk moeten zijn - althans voor een zeer groot deel - van de krachten, die hij in die andere
werelden kan verzamelen. Er mag dus worden gezegd, dat een gelijkenis bestaat tussen wereld
en sfeer. Zij kunnen wel onderling elkaar beïnvloeden, maar kunnen in elkaars wezen slechts
kenbaar ingrijpen door gebruik van de machten die in sfeer of wereld zelf bestaan.



Kunnen wij (mensen) dan helemaal niets doen voor degenen, die in de sferen leven? Zijn
diegenen, die in de sferen bestaan, zo erg gebonden aan hun wereld, dat zij niet in staat zijn om
ons te helpen?

Er is nog een andere tegenstelling: het geloof. Dat wordt op aarde een soort onredelijk
aanvaarden. In de sferen wordt geloof je levensadem, omdat je zoveel aanvoelt, dat nog niet te
omschrijven is voor je eigen wezen, dat je dit als waarheid móét aannemen, anders valt je wereld
uit elkaar. Dat geloof is voor de sfeer een levensnoodzaak. Het is voor de mens op aarde een
steun en een mogelijkheid, het is de band, die ons het gemakkelijkst met elkaar in contact
brengt. Wij leven anders, wij denken anders, wij zijn anders. Onze poging om elkaar te
benaderen kan nooit ten volle lukken. Het verschil is te groot. Wij kunnen juist door middel van
dit geloof en de krachten, die in dit geloof besloten liggen, toch wel heel veel voor elkaar be-
tekenen. Een mens die in ons gelooft, alleen maar in ons, - dan hoeft hij nog niet eens in een God
te geloven, - kunnen wij al benaderen. Een mens die in God gelooft als een Kracht ten goede,
kunnen wij te allen tijde benaderen. Naarmate de behoefte in een mens groter wordt om een
dergelijk contact te verwerven, is het contact makkelijker tot stand te brengen. Er blijkt echter



altijd een deling (scheiding) te bestaan. Nemen wij aan, dat iemand, die is overgegaan, een
familielid wil bijstaan. Hij zal dat gaarne willen doen met raad en daad. Zo tracht hij dat familielid
op aarde alles te geven, wat waardevol is. Maar wat is in de sfeer waardevol? Een juiste gedachte,
een zeker behoud van de mogelijkheid tot ervaren; onbelangrijk is bezit, is aanzien, is eer, enz.
Het resultaat is, dat de kracht van de geest helpend zou kunnen optreden, wanneer het dus gaat
om problemen van binnen. Maar hij is erg moeilijk in staat om u even te vertellen, wat de uitslag
van de puzzel of de loterij is, zelfs al zou hij het weten, hij ziet het belang er niet van in. Het is ook
erg moeilijk om rekening te houden met uw meer stoffelijke gedachten en begeerten. Hebt u
behoefte aan een inzicht in de wereld, of uw eigen problemen: de geest staat klaar om u te
helpen. Maar hebt u behoefte aan een grote biefstuk, dan zal de geest heel vaak volstaan met te
registreren: er is voedsel nodig, daar ligt nog een korst brood, laten wij daar de aandacht maar
eens op vestigen... Dus een heel andere waardering.



Wat voor de wereld heel erg belangrijk is, heeft daartegen voor de geest heel weinig betekenis.
Denk bv. aan de kwestie van de seksen. Seksen bestaan er geestelijk eigenlijk niet meer,
teminste niet in stoffelijke zin. Er is (in de sferen) een vorming en bewustzijn, maar niet meer aan
iets feitelijks (gebonden). Is het dan verwonderlijk, dat een geest vaak niet begrijpen kan,
waarom een mens zich over stoffelijke liefde zich zo druk maakt?

Een geest in een sfeer - zelfs in een lagere sfeer - is zich bewust van een rechtsprincipe, dat
voortvloeit uit de schepping, waarin hij leeft. Is het zo vreemd, dat de menselijke poging om recht
te doen, weinig of geen begrip ontmoet bij de geest? Gelukkig is het voor de geest wel mogelijk
zich te specialiseren en bij deze specialisatie - bij voorkeur meer abstract - bepaalde gebieden op
aarde te blijven volgen. Ik denk hierbij bv. aan de geneeskunde. Een geest helpt een mens in de
stof om tot genezing te komen. Dit is toch wel zuiver stoffelijk. Voor die geest gaat het helemaal
niet om het goed functioneren van die stoffelijke organen. Dat is maar bijkomstig, voor die geest
is de noodzaak allereerst het geven van een harmonie, een eenheid van wezen aan die mens. Dat
daaruit voortvloeit, dat hij hem ook helpt bij lichamelijke genezing, is a.h.w. iets bijkomstigs.

U kunt zeggen: wij gaan sneeuw ruimen, omdat wij willen gaan zonder te vallen. De geest
begrijpt het niet, hij zegt: dat smetteloze wit is zo mooi. Waarom zou je dat verbreken? Maar nu
komt hij tot de ontdekking, dat u schade lijdt, wanneer u door die sneeuw moet lopen, dat het u
slecht gaat. Die sneeuwruimer ruimt die zaak op, niet om die weg open te maken, ook niet, opdat
u zonder vallen zou kunnen lopen, maar alleen, omdat de moeilijkheden van dit besneeuwde pad
voor u een onevenwichtigheid betekenen en gelijktijdig een geestelijke schade.



Daaruit zult u ook wel kunnen begrijpen, dat de sfeer ten overstaan van de ontwikkeling van de
mensheid anders denkt dan een stoffelijk mens doet. Wanneer u die wereld beziet, dan zegt u:
geef ons alsjeblieft toch een eeuwige vrede, grote welvaart, enz... Ja, zegt de geest, dat willen wij
wel graag geven, maar wat heb je eraan? Je moet je bewust kunnen worden. Er moeten
problemen in de wereld kunnen blijven...

Dan ziet die geest, dat die problemen in de wereld een verkeerde kant opgaan... Ja, zegt de
mens, waarom moeten er honderdduizenden dood? Dood, zegt de geest, bestaat niet. Het is toch
helemaal niet erg, als er desnoods een miljoen mensen sterven? Daar leven zij toch voor? Beter
dat er een miljoen mensen in onze wereld komen en daar de nodige hulp kunnen ontvangen,
terwijl de wereld ook de goede kant uitgaat, dan dat al die mensen blijven leven en dat er
uiteindelijk op aarde niets dan ongeluk en lijden en onbewustzijn uit voortkomen. Het is
begrijpelijk, dat vanuit de sferen heel vaak dingen worden gedaan en worden gezegd, worden
geprobeerd, die op aarde op zijn minst genomen onredelijk zijn.

Opvallend voor de mens op aarde is verder, dat de geest op één terrein soms buitengewoon knap
is, terwijl andere terreinen hem schijnbaar niet interesseren, hij gaat er niet op in; als hij er al
antwoord op geeft, is dat maar half-half. Pardon, fifty-fifty; wij zijn modern... Het is te begrijpen.
Geestelijk leven wil zeggen leven uit je gedachten en voor je gedachten. Stoffelijk leven wil
zeggen: leven in de materie. Daarbij is dan die materie van heel groot belang soms. Per slot van
rekening, dames, laten wij eerlijk zijn. Het is toch belangrijk, dat u er goed uitziet, wanneer u met
visite moet en wanneer u bezoek ontvangt. Heren: u vindt het toch ook niet prettig, als u met een
(een) zeer groot embonpoint (lijvigheid; Red.) in een niet voldoend kostuum zou moeten parade-
ren voor uw collega's en gade (echtgenote; Red.). Het is volkomen logisch, u leeft in een
stoffelijke wereld en daarin kan het niet anders. Wat kan dat voor de geest uitmaken? U kunt niet
verlangen, dat de geest interesse heeft in uw kleding, in uw maatschappelijke status. Daarop is
die geest helemaal niet meer ingesteld. Treedt in haar wereld zoiets op, dan kan zij dit door de



juiste wijze van denken veranderen en dus zegt zij: "Nu ja, dan moet die mens dat ook maar
doen..."

Het wonderlijke is dan ook niet zozeer, dat al deze verschillen bestaan, dan wel dat er toch
krachten zijn, die al deze tegenstellingen weten te overbruggen. Wij spreken over liefde. Niet in
de zin van: "Ik ben van jou en jij van mij, niets kan ons scheiden", maar in de zin: ons streven en
leven bindt ons tesamen, want ik wil jou dienen en jij zult mij dienen. Dat laatste hoort er
eigenlijk haast niet bij. Het wordt niet als voorwaarde gesteld. Wanneer er zo een band bestaat,
dan betekent dit in de sferen een volkomen eenheid van geest, een volkomen harmonie. Bij die
harmonie ken je elkaars gedachten, elkaars kleinste gevoelens, het kleinste beleven zelfs.

Nu kan, zij het dat men op aarde zich er niet zo van bewust is, op aarde een dergelijke band
ontstaan, zowel met mens als geest. Het kan ontstaan t.o.v. groeperingen, misschien ten
opzichte van de gehele mensheid, of voor enkelen. Maar deze eenheid, ook wanneer zij onbewust
ontstaan is, wordt in de geestelijke wereld onmiddellijk reëel. Zij maakt een direct deel uit van
het leven. Waar dit het geval is, zal nooit een werkelijke liefde verbroken kunnen worden. Dit
brengt vreemde consequenties met zich.

Man gaat over, vrouw blijft op aarde en omgekeerd.Tussen deze beiden ontstond een werkelijke
band. De belangstelling van degene, die is overgegaan, in stoffelijke zaken is afgelopen. Het is
ook begrijpelijk, dat het niets meer betekent. Maar die eenheid is zo sterk, dat de overgegane het
beeld van degene die op aarde leeft, voortdurend voor zich ziet, en al wat zich daar voor de geest
begrijpbaar in afspeelt, daar onmiddellijk uit kent en afleest. Hij weet, dat dit slechts de schaduw
is van iets, wat op aarde meer onbewust bestaat, maar al weet hij dit, altijd blijft de band be-
staan. Zo is het mogelijk, dat men elkaar soms zeer grote (hulp) biedt op zuiver geestelijk
terrein. Het is zelfs mogelijk, dat de geest normalerwijze, geheel niet geïnteresseerd in het
stoffelijke, u aan de hand van de verstoringen van het beeld, dat hij kent, waarmee hij a.h.w.
leeft, zal trachten om in het stoffelijke in te grijpen en daar te helpen. Verwacht echter niet, dat
die hulp volkomen kan zijn.



Een tweede kracht, die al even bindend is, is de haat. Wanneer je iemand werkelijk haat, verzink
je ook in zijn wezen, zij het dan, dat je hier elke eigenschap kent en tracht te onderdrukken. Ook
die banden blijven voortbestaan, maar hier met het vreemde, dat haat een eigenschap van
duistere sferen is en zo in het werkelijke leven onberoerd blijft. De (gene, die) haat ziet het
gehate beeld voortdurend bij zich, hij kan trachten het te schaden, maar zal het nooit schaden,
wanneer die haat niet teruggekaatst wordt, zodat een wederkerigheid in stand wordt gehouden.
Anders blijft het gehate wel voor het bewustzijn van de hater bestaan, maar zal nooit aantastbaar
zijn; een van de kwellingen, die er uit voort kan komen.



Dan is er verder de z.g. innerlijke weg. Wij kunnen soms ver buiten het redelijke, ook wanneer wij
in de stof zijn, komen tot een intens beleven van grotere Kracht in ons eigen zijn. Die Krachten
bestaan werkelijk, zij zijn niet alleen maar een fictie. Zij leven in ons, maar wij vinden ze terug in
veel en grote delen van de Schepping. Wanneer zo een band ontstaat, zij het door een
voortdurende toestand van verrukking, of door een voortdurende status van leven, dan zal deze
Hogere Sfeer, die niet eens begrepen wordt in het stoffelijk voertuig, toch voortdurend haar
werking doen gelden. En omgekeerd, (voor) de geest in de stof, aan de hand van eigen leven en
streven voor die anderen, soms grote bewustwordingen met zich brengen, terwijl zij gelijktijdig
worden geholpen zich te verheffen boven de werkelijk laagstoffelijke dingen.

De Scheppende Kracht omvat alle dingen. Wie in de Scheppende Kracht doordringt, ziet geen
verschil meer tussen stof en geest, omdat zij uiteindelijk slechts bewegingen zijn van Kracht
zonder meer. De kernverhouding is Kracht. Kracht is een uiting van het Goddelijke. Het
Goddelijke is een Volmaaktheid in zijn uiting. Zo kun je de Kracht van het Goddelijke in de
Scheppende Kracht de volmaaktheid vinden en weerkaatsing in alle dingen. Zonder scheiding,
onverschillig waar je dit bewustzijn verwerft, onverschillig welke consequenties dit stoffelijk of
geestelijk in je eigen wereld is.

Er zijn, vooral voor ons kleineren, meer tegenstellingen dan overeenkomsten. Het is, geloof ik,
wel veilig, wanneer wij daaruit een conclusie trekken. Mens, wanneer je op aarde leeft, bedenk,
dat de stoffelijke dingen belangrijk voor je zijn. Wanneer de geest zich met je bemoeit, kan dit in
het stoffelijke geuit worden, kun je het voelen en beleven. Maar tracht je nooit te verheffen
buiten je eigen wereld op een zodanige wijze, dat je alle belangen van die wereld, de belangen
van alle anderen in die wereld eenvoudig daarbij vergeet. Leven doe je slechts werkelijk in de
wereld of sfeer, waarin je krachtens incarnatie en bewustzijn behoort, nergens anders. Vanuit die



wereld of sfeer, kun je soms verder gaan, maar je moet altijd terugkeren. Daar bestaat je
werkelijkheid, daar bestaat je leven. Gebruik die werkelijkheid en dat leven om grotere
bewustwording te verwerven. Om voor alles elk gevoel van schuld uit jezelf uit te bannen; te
zorgen, dat alle kwaad, dat je misschien hebt aangericht, hersteld wordt, zover je kunt. Gebruik
het niet om te versuffen in berouw, dat heeft geen zin, maar herstel de schade, die je hebt
veroorzaakt. Pas dan zul je kunnen zeggen, dat je waarlijk, ook geestelijk, goed leeft.



Vraag: Kan bij verdere bewustwording de geest dan vorm of persoonlijkheid verliezen?
Wij ook?

Antwoord: Na langere tijd althans.



Reactie: Het is moeilijk te begrijpen.

Spreker: Ik kan mij voorstellen, dat het op aarde je moeilijk valt om je je de geest voor te stellen.
De geest heeft eigenlijk geen eigenlijke vorm meer, alleen een wezen. Denkt u bv. aan een
hoeveelheid water, beter nog kwikzilver, die in zich bepaalde eigenschappen heeft, capaciteiten,
vermogens en kracht kan bergen, maar die zich in elke willekeurige vorm kan voegen en waarvan
de vorm door de omstandigheden wordt bepaald, i.p.v. door het eigen wezen; tenzij omstandig-
heden optreden - denkt u bv. aan vorst voor water -, waarbij de gestalte dus tijdelijk gefixeerd
wordt, maar dan alleen tijdelijk. Het is dus logisch, dat, wanneer ik probeer - ik geef eerlijk toe
dat het proberen is - om van een zoveel mogelijk stoffelijk standpunt uit iets over de sferen te
vertellen.

Ik heb ernstig geprobeerd om duidelijk te maken, dat de verhouding tussen de wezens in de
sferen bepalender is dan eigen denken, bepalender is dan al het andere. Stelt u zich dus geen
vaste wereld voor maar stel u een droom voor, die zozeer werkelijk is, dat je daarin beleven kunt
volgens eigen wil en niet alleen wordt meegesleurd door de ontwikkeling van de droom zelf. Maar
toch een droom, waarin je met één stap van Amsterdam naar China verhuist en met de volgende
ademtocht plotseling verder gaat in New-York, alsof er niets gebeurd was. Waarbij al die
verschillende dingen vereend kunnen worden in één handeling, die weldoordacht en beleefd is,
waarbij de omgeving a.h.w. een zich aanpassen betekent van de buitenwereld bij hetgeen je zelf
wilt trachten te doen. Dan kunt u zich misschien voorstellen, hoe moeilijk het is om een mens
juist dit volledig duidelijk te maken.



Hoe hoger de geest gaat, hoe minder zij vormen kent, omdat het denken in vormen, dus het
scheppen van een achtergrond voor je eigen denkbeelden en bewustzijn steeds minder wordt.
Daarbij treedt dus een vormloosheid op, die de wereld zich haast helemaal niet voor kan stellen.
Een geest is dan zoiets als lucht, dus fijn verdeeld, maar zij heeft nog in zich haar eigen
capaciteiten en mogelijkheden. Je mag haar dus nog in zekere zin een persoonlijkheid noemen.
Ook wanneer die persoonlijkheid zich nog zozeer kan uitstrekken, - uitdijen - dat zij, als ik bv.
hier een beetje edelgas in de lucht loslaat, gelijktijdig een ruimte in beslag neemt, waar veel
andere gassen tevens bestaan. De hoogste geest kan dus a.h.w. in een bepaald deel alom tegen-
woordig zijn, terwijl binnen haar wezen het leven van anderen (zich) ten dele afspeelt, zonder dat
beiden elkaar volledig beroeren.

Er komt een ogenblik, dat een geest zo ver is gestegen, dat zelfs dit gasvormige nog te groot en
te scherp als uitdrukking is. De capaciteiten en eigenschappen blijven aanwezig. Zij zijn zo vaag
verdeeld, dat van een opmerken van deze persoonlijkheid door anderen praktisch geen sprake is.
Gelijktijdig houdt deze geest op om zelf daden te stellen, daar zij zelf nu is opgenomen in het
kosmisch gebeuren en a.h.w. dit gebeuren ziet als deel van eigen wezen en persoonlijkheid, zo
niet meer in de noodzaak verkerende om zelf te handelen. Dan is dus de persoonlijkheid, volgens
menselijke opvatting, enigszins teloorgegaan. Toch blijft het weten en bewustzijn bestaan.



Vraag: Kan een geest liegen?

Antwoord: Als u in Lichte Sferen bent, zal u dat heel erg moeilijk vallen. Dat kan ik u verzekeren.
U kunt wel proberen te liegen en zo de leugens voor uzelf tot werkelijkheid maken, maar u zult
niemand vinden van uw eigen sfeer of hogere sfeer, die erin tuint.



Vraag: Als je gewoon bent te liegen, dan lieg je daar toch ook?

Antwoord: Elke leugen heeft een motivering, onverschillig of die in het bewustzijn of onderbe-
wustzijn ligt. In die sfeer wordt de leugen gezien, tezamen met die motivering en krijgt dus een
persoonlijkheidsuitdrukking als waarheid, terwijl de verklaring op zichzelf echter geen leugen



meer is, want zij wordt gezien i.v.m. een persoonlijkheid en niet meer als een zichzelf staande
bewering of verklaring.



Vraag: Dus je hebt er niets aan om te liegen?

Antwoord: Je hebt er niets aan om te liegen in de andere wereld. Ik wens u allen een goede
avond.





TOEVAL





Goedenavond vrienden,

Uw eigen onderwerp. Wat zal het zijn?



Voorstel: TOEVAL

Spreker: Is het toeval, dat deze vraag gesteld wordt? Het lijkt wel zeer toevallig dat wij juist met
deze aanwezigen, juist met deze spreker dit onderwerp krijgen voorgezet. Toeval op zichzelf zou
redeloos, een soort noodlot, een besturende kracht van buiten zonder meer moeten zijn. Dat
houdt in een volkomen negeren van Wetten van oorzaak en gevolg, en Wetten die uitdrukking
geven aan de gehele kosmos zelf. Kan er een werkelijk toeval bestaan? Ik meen hier uitdrukkelijk
ontkennend te mogen antwoorden. En wel om de volgende redenen.

Op het ogenblik, dat de mens op de wereld komt, of zelfs in de sferen, vormt zich in hem een
bewustzijn. Elke handeling, die hij stelt, vloeit voort uit dit bewustzijn. Hij wordt niet geprest tot
handelingen die liggen buiten het eigen begripsvermogen. Zo kan hij ook de gevolgen niet
ondergaan van oorzaken, die hij niet wetend of begrijpend heeft geschapen. Dit brengt met zich
mee, dat de eigen relatie, die elke mens kent t.o.v. de wereld voor deze mens zelf misschien een
onbegrepen waarde is in zijn stoffelijke vorm, dus buiten zijn redelijke vermogens. Maar de totale
bewustzijnsvorming van zijn wezen is het, die alle gebeurtenissen mede bepaalt.

Zijn contact met de omgeving, zijn selectie hiervan, ongeacht het schijnbaar onredelijke element
vloeit volledig uit de waarden van het "Ik" voort. Elke gebeurtenis, die door invloeden van
buitenaf, contacten met mensen, of milieu ontstaat, is dus niet toevallig. Zij zijn een volledige
uitdrukking van het eigen wezen, terwijl zij verder een realisatie kunnen betekenen van
misverstanden, die tijdens de bewustwording binnen het "Ik" zijn ontstaan, en door het "Ik"
geprojecteerd worden op de wereld. Daardoor kunnen wij komen te staan voor zeer
onaangename problemen.



Voorbeeld: u loopt onder een hijskraan door, er raakt juist op dat moment een balk los, u wordt
voor uw leven verminkt. Toeval? Neen. Waarom bent u daarheen gegaan? Waarom kwamen de
twee momenten van kracht, uw gaan en dit vallen tezamen? Omdat ergens in uw leven een
bewustzijnsfase is geweest, waarin u hebt bestemd, dat u de wereld meester was. Zo hebt u
gemeend te veel in het leven te kunnen beheersen. Daardoor bent u in conflict gekomen met
uzelf. Hierdoor was u niet in staat eigen wensen te verwerkelijken. De verminking, die u
ondergaat, is dan een door gedachten verwerkelijkte uitdrukking van uw geestelijke toestand.

Ik kan mij voorstellen, dat er veel mensen zijn, die hiertegen zouden willen protesteren. Ik hoor
ze al fluisteren: "Ik heb reumatiek? Moet dat dan uit mijn geestelijke toestand voortkomen? Ik
heb kou gevat. Moet dat uit een vorig leven stammen?" Dat is niet nodig, vrienden. Oorzaak en
gevolg beheersen uw leven. U zou niet verkouden geworden zijn, wanneer niet zonder hoed en
jas zo voor even naar buiten was gelopen. U zou niet tot zo'n zware operatie gekomen zijn, als u
niet zoveel van uzelf verwaarloosd had. U zou niet zo uitgeput zijn op uw oude dag, wanneer u in
de tijd daarvoor niet teveel van uzelf had geëist. U zou niet zo in verwarring komen, wanneer u
zich had aangewend de dingen gelijkmoediger te beschouwen en te behandelen.

Wanneer ik dit zo zeg klinkt dit misschien als mooipraterij, maar toch is het waar. Een mens die
leeft volgens eigen wezen en bewustzijn, ook stoffelijk, is in staat om zeer veel van de schijnbare
toevalligheden te regelen, of te beheersen.

Laat ons eens even nagaan, hoe het komt, dat een mens die veel geld heeft, meer kan verdienen,
dan iemand, die weinig geld heeft. Is dit altijd, omdat in feite de mogelijkheden verschillen?
Neen, ook wanneer het niet op geld aankomt, zal degene, die veel geld heeft meer zelfver-
trouwen hebben, waardoor hij van elke gelegenheid gebruik maakt. Zijn resultaat is niet alleen
geluk, maar hangt in grote mate samen met de wijze, waarop hij optreedt t.o.v. de wereld.



Een enkele maal is er een arme mens die dit zelfde zelfvertrouwen bezit, ook al heeft hij geen
cent. Deze zal dan in verhouding meer resultaat hebben en grotere winsten kunnen maken dan
de rijke ooit maakt.

Er zijn mensen, die ongelukken schijnen aan te trekken. Er bestaat zelfs op het ogenblik in de
Ver. Staten een instituut, dat zich bezig houdt met bestudering van de z.g. accident prones; dus
mensen, die ongevallen aantrekken. Is het nu toeval, dat een mens al die ongelukken krijgt?
Oppervlakkig gezien wel. Waarom krijgt Jansen in de winkel altijd de rotte eieren en gaat
Pietersen met de goede naar huis? Waarom valt Jansen over elke bananenschil, terwijl Pietersen
ongedeerd door een aardbeving heenwandelt? Geen toeval. Jansen heeft een minderwaardig-
heidscomplex. Hij is zich niet van zichzelf bewust als een positieve kracht in het leven.
Onderbewust verwacht hij het ongeluk, terwijl hij het ongeluk gebruikt om hiermee voortdurend
zijn eigen mislukkingen te verklaren. Het is heel erg, als je zo bent, natuurlijk.

Maar het komt uit jezelf voort. Is hierbij ook maar enig toeval? Neen. Zelfs bij de rotte eieren, die
hij in handen kreeg heeft hij onbewust gemeend, dat hij die eieren niet goed kon kopen. Hij was
onzeker van zichzelf, vreesde misschien, dat zij kapot zouden vallen. Door deze instelling heeft
hij zijn gehele omgeving beïnvloed en zo de meest negatieve waarde uit het geheel voor zich naar
voren gebracht. Als er tussen de eieren eendeneieren, besmet met paratyphus hadden gezeten,
had hij die waarschijnlijk gekregen. Neen, er is zeker geen sprake van toeval. Alles wordt bepaald
door je eigen houding tegnover de wereld, waardoor tevens de reactie van de wereld wordt
bepaald. Je doet het zelf, ook al realiseer je je dat niet. Uiteindelijk ben jij het, is het je totale
bewustzijn, dat bepaalt, wat de wereld voor je is.



Om een gunstige verhouding te scheppen, moet je over meerdere waarden beschikken. Je moet
een bewustzijn hebben, dat zich - vooral geestelijk - verheffen kan boven alle kleine dingen. Als
kleine dingen je niet beroeren, gaan ze aan je voorbij. Er zijn mensen, die op deze wijze aan veel
onaangenaamheden kunnen ontkomen. Wanneer hier midden in de zaal opeens een grote fles
inkt zou vallen, zouden er tien mensen van boven tot onder onder de vlekken zitten. De elfde,
midden daartussen, heeft zelfs geen spatje. Ook bij de dames zie je zoiets wel. Alle vriendinnen
kopen een nieuw soort crème. Hun huid wordt hiervan lelijk en onregelmatig, maar die ene koopt
ze ook en voor haar is het juist het beste. Geluk of toeval? Neen. Die ene is zozeer verheven
boven het kleine, dat het kleine haar niet meer kan beroeren. U weet misschien, dat van Jezus
wordt verteld, dat Hij door modder liep, zonder dat deze Hem besmette of beroerde. Zo wordt er
ook van anderen verteld, dat zij met het sierlijkste gewaad door de grootste rommel kunnen
gaan, zonder dat dit verontreinigd wordt. Dit is geen geluk, of magische kracht. De oplossing is
zeer logisch: zij zijn zover verheven boven het negatieve begrip "vuil", dat materie in de vorm
"vuil" hen niet meer kan benaderen. Hoe lager en hoe meer aardgebonden het denken is, hoe
gemakkelijker je ook vuil wordt. Vandaar dat juist kinderen, die immers op aarde vol interesse
voor materie en de details daarvan het leven leren kennen, praktisch altijd vuil zijn. Ook bij
dieren treffen wij soorten, die werkelijk "vuil" zijn, terwijl anderen schoon en zindelijk zijn; dit is
afhankelijk van de wijze, waarop hun eigen belangstelling is gericht. Naar ik meen, kunnen wij
ook dit niet met toevalligheden gaan verklaren.



Misschien meent u, dat het feit, dat iemand een hoofdprijs trekt in de loterij, dan toch wel een
toeval is. Ook dit moet ik heel sterk betwijfelen. De volgorde, waarin de cijfers komen, kan
weliswaar niet door een mens tevoren bepaald worden. Er bestaat een zekere sensitiviteit, waar-
door men het trekken van de nummers, zelfs indien dit automatisch geschiedt, toch kan
beïnvloeden. Een beïnvloeding door het verlangen en de mogelijkheid, dat men vooruit de
waarde van de cijferreeks aanvoelt en zich hiertoe aangetrokken gevoelt.

Wanneer wij het leven zo bezien, komen wij er weldra (er) toe te zeggen, dat noodlot, fatum,
toeval en geluk dingen zijn, waarover je beter maar niet teveel kan praten. Wij schakelen deze
begrippen uit. Veelal zijn het uitvluchten. Begrijperlijkerwijze kan men het leven niet geheel
beheersen, wanneer men stofmens is. U kunt uw leven nu eenmaal niet helemaal zo inrichten, als
u het zelf zou willen. Men is geen meester over de wereld, omdat men geen bewustzijn bezit, dat
voldoende is om geheel van de wereld te kennen en in al zijn mogelijkheden te beheersen. Maar
zover het bewustzijn reikt, kan men de wereld bereiken.

Zover uw geestelijk wezen en bewustzijn reikt, hebt u contact met die wereld. De wijze, waarop
de contacten bestaan en de beheersing plaats vindt, bepaalt de situatie waarin men zich zal
bevinden. Dit beïnvloedt de tijd, waarin je geboren wordt, zelfs de familie. Het kan zelfs bepalen,
of het vandaag mooi weer zal zijn, dan wel regen en sneeuwen. Sterk, hè? Wat moet je dan met



een weerbericht? Toch is het waar, want kijk maar naar het typische verschijnsel: Jansen heeft
vakantie. Jansen zit 14 dagen te miesemausen ergens in een pension, dat tamelijk duur is,
waarin de keuken maar zo-zo is en keert tot zijn werkzaamheden terug, blij, dat de vakantie
voorbij is. Het is toeval, dat het heeft geregend, maar ja, Jansen is nu eenmaal een pechvogel. Zo
gaat het met kleine verschillen jaar na jaar. Met Pietersen is het anders. Pietersen ging op
vakantie in april. Het was gewoon een zomertje. Hij is gezellig uit geweest. Hij heeft genoten.
Toen heeft Jansen tegen Pietersen gezegd: "Mag ik nu eens de volgende keer in die tijd gaan?
"Natuurlijk, kerel", heeft Pietersen gezegd. Maar april was een maand, waarin het regende en
hagelde. Pietersen ging naar het pension van Jansen, had mooi weer, maakte heerlijke
wandelingen en heeft nog nooit een beter pension gevonden. Toeval? Neen. Toen Jansen en
Pietersen gezamenlijk op vakantie togen, waren er wat slechte dagen. Zij speelden bridge en
Jansen verloor. Dat kostte hem zijn extraatjes. Pietersen won zoveel, dat hij er nog een weekje
aan vast kon knopen. Toeval? Neen. Onbewust hebben deze mensen in hun keuze, zowel als in
hun wijze van aanvaarding die elementen gewekt, die naargelang hun instelling een teleurstelling
of vervulling van wensen inhielden.



Is het toeval, wanneer je iemand ontmoet, wanneer er geen harmonie is, dat er geen contact kan
bestaan? Dan ga je aan elkaar voorbij en ziet elkaar niet eens. Is het dan misschien toeval, dat je
op een bepaalde tijd doodgaat? Dan is het toch wel vreemd, dat dit veelal juist gebeurt, wanneer
je de mogelijkheden en energieën van het leven hebt uitgeput. Het is vreemd bovendien, dat,
wanneer je terugziet, alles in het leven je voort schijnt te stuwen naar juist dit einde, op deze tijd
en geen andere. Achteraf is het gemakkelijk te zeggen, dat dit geen toeval is. Dan heb je een
overzicht gewonnen, wat je als mens, zelfs als geest in de lagere sferen nu eenmaal niet hebt.
Dan zie je wel de details, maar je ziet niet het gehele beeld. Je ziet niet, hoe je, door het leven te
boetseren naar jouw bewustzijn en jouw wijze van leven, zelf hebt bepaald, wie en wat je bent,
hoe je bent en hoe het je gaat.

Neen, vrienden, als je het mij vraagt, dan bestaat er geen toeval. Wat men toeval noemt is in
feite slechts een reeks factoren van ons eigen wezen, plus de onbegrepen reactie van ons "Ik" op
de wereld.Toeval noemt men dat, wat men niet begrijpt. Maar dat impliceert niet, dat het
redeloos of willekeurig is, dat het onbeheersbaar is. Het is geen vreemde, wrede kracht, die van
buitenaf naar ons grijpt en met ons speelt. Wanneer wij zeggen "toeval" wil dit alleen maar
zeggen, dat wij zelf nog niet weten in welke wereld wij leven en wij nog niet in staat zijn ons eigen
wezen te richten op de meest gunstige en meest begeerlijke resultaten. Het wil zeggen, dat wij
voor onszelf niet weten, hoe of waar te gaan.

Zelfs indien dit al zo is, hebben wij niet het recht te spreken over een toeval, of - indien u vroom
bent - over God, de Almachtige, Wiens Wil van buitenaf ons lot leidt. Je moet eerlijk het leven in
het oog durven zien en jezelf durven zeggen: "Alles in het leven wat ik niet begrijp, is mij toch
overkomen als gevolg van eigen gedachten en daden. Ik ben dus voor deze dingen zelf
verantwoordelijk, ook al besef ik niet, waarom. Ik ben niet schuldig aan wat mij overkomt, maar
ik veroorzaak het." Wanneer je het leven zo beziet, is het aan de ene kant misschien moeilijker te
aanvaarden; aan de andere kant is veel dan gemakkelijker te dragen. Het afstand doen van het
toeval als uitvlucht betekent enerzijds, dat je niets of niemand meer hebt, wie je het wijten kunt
wanneer het je verkeerd gaat. Aan de andere kant brengt het een zekerheid dat, wanneer je
maar voldoende streeft, je ook alles kunt bereiken wat je wenst. Het maakt zo het streven groter,
doelbewuster en sterker, waardoor het meer vruchten voortbrengt.



Vraag: Uiterlijke factoren zijn afhankelijk van innerlijke gesteldheid, maar waarvan is de
innerlijke gesteldheid afhankelijk?

Antwoord: De innerlijke gesteldheid van de mens wordt volgens geestelijke ervaring bepaald
door alle ervaringen, die de mens in de loop van zijn totale ontwikkeling heeft opgedaan. Dit dus
vanaf het eerste ogenblik, dat één vonk bewustzijn ontwaakte in de chaos, tot op het punt
"heden". Daarbij worden alle disharmonische aspecten veroorzaakt door het verwerpen van
ervaringen; alle positieve aspecten door het aanvaarden daarvan. Elke ervaring, elk gebeuren,
dat ik accepteer, overdenk en begrijp betekent een vergroting en verruiming van mijn leven en
bewustzijn. Daartegen betekent het niet aanvaarden van een aansprakelijkheid, het verwerpen
van een taak, of een plicht, een verlamming van een deel van de innerlijke vermogens.

Het resultaat is dus, dat de innerlijke gesteldheid, onverschillig of zij harmonisch of gedeeltelijk
disharmonisch is, m.i. zuiver verantwoordelijk kan worden gesteld voor alle dingen binnen het
beperkte zijn, binnen datgene, wat wij kennen als leven en Schepping.



Ik wil mij gaarne aansluiten bij degenen, die zeggen: "Indien God ons niet geschapen had, zou dit
alles niet gebeurd zijn en uiteindelijk is God dus toch verantwoordelijk". Daar voeg ik dan
onmiddellijk bij: "Al is God verantwoordelijk voor ons zijn, zo zijn wij dan toch zelf bepalend voor
hetgeen wij in dit leven doormaken." Ik heb dus de zaak niet zozeer verschoven van buiten naar
binnen toe, doch getracht aan te tonen, dat het begrip "toeval" verschoven moet worden van
stammende uit buiten het "Ik" liggende waarden naar binnen het "Ik" bestaande waarden.
Bovendien heb ik getracht daarbij te stipuleren, dat alle binnen het "Ik" liggende waarden door
ons beseft kunnen worden en als zodanig de verantwoordelijkheid voor alle binnen het "Ik"
liggende waarden, plus hetgeen daaruit voortvloeit, aan de mens kan worden opgelegd.



Vraag: Wij worden toch niet met die wetenschap geboren?

Antwoord: Neen. U kende ze vóór de geboorte. In en na de geboorte vergeet u dit tijdelijk door
uw intensere belangstelling voor het stoffelijke, plus uw pogingen om in de stoffelijke wereld
volledig te leven. Naarmate uw interesse voor het stoffelijke sterker wordt, kan worden gezegd,
dat uw pogen om dit geestelijke ook meer bewust te beleven, kleiner wordt. Een normaal gevolg
van het stoffelijk bestaan. Onbewust dus blijft het geestelijk plan op het totale bewustzijn zijn rol
spelen. Het kan echter niet meer doordringen tot het z.g. waakbewustzijn en daarmee de
redelijke processen van de mens volledig beïnvloeden. Het kan dit wel ten dele. Men noemt dit
dan: werking via het onderbewustzijn, waar het geestelijke bewustzijn overigens ook werkelijk
deel van uitmaakt.



Vraag: Je kunt bv. last hebben van een zekere angst. Is dit dan onderbewustzijn?

Antwoord: Ja, het zit in je wezen. Het moet geboren zijn uit dingen, die je bewust hebt
doorgemaakt, hetzij nu of vroeger. Gezien het feit, dat een dergelijk verdrijven naar het
onderbewustzijn nooit kan voorkomen uit een aanvaarden van de feiten, maar alleen uit het
ontkennen daarvan, impliceert het, dat men dan zelf een disharmonie in zijn wezen geschapen
heeft, waarvan de angst het resultaat is. Deze angst zal dus geen werkelijke toevalsinvloed
kunnen uitoefenen in uw leven, waardoor gebeurtenissen op u afkomen. De gebeurtenissen
ontstaan uit uw wezen en zullen u op de duur dwingen uw angst te overwinnen door de oorzaak
ervan te erkennen en uw handelen te richten op het bewustzijn, dat u eens hebt verworven.

Ik wens u allen een goedenavond.









ESOTERISCHE SPROOKJES





Goedenavond vrienden,

In dit tweede gedeelte behoren wij eigenlijk over esoterie te spreken. Tot mijn spijt ben ik echter
niet tot grote abstracties in staat. Daarom wil ik het liever anders doen. Ik wil proberen u een
paar sprookjes te vertellen. Sprookjes voor grote mensen, vanwege de problemen die er achter
liggen. Het eerste sprookje heet:



DE VUURVLIEG



Er was eens heel lang geleden, toen de bloemen nog spreken konden en de dieren nog een koning
hadden, een edelsteen, die geslepen door een beek, voortdurend in glans gewon. Zo sch erp was
haar glans soms, dat het leek, alsof de zon begraven lag in de hoek en zij voelde zich gelukkig,
omdat zij werd bewonderd. De tijd ging verder en het bos groeide hoger en sterker, totdat
uiteindelijk het bladerdak als een tunneldak hing over de beek en geen zonlicht meer doorliet.
Toen voelde de edelsteen zich verlaten, omdat zij niet meer glanzen kon.

Zij begeerde zozeer beroemd te worden, gezien te worden door allen, gewaardeerd als kostbaar
en onvervangbaar goed in het woud. Zo begon zij boos te worden en vreemde spreuken te
murmelen die volkomen disharmonisch waren, wanneer je ze vergeleek bij het rustig kabbelen
van de beek. Vóór zij het wist had zij een sombere toverspreuk gezegd. In de schaduwen begon
zich een donkere wolk te vormen, die meer en meer gestalte aannam. "Geef mij" - en zij wist niet
eens tot wie zij sprak - "de mogelijkheid om overal te komen, waar dieren en mensen zijn, opdat
zij naar mij kijken." Toen weerklonk onder het bladerdak een galmende lach, die honend scheen



te weerklinken uit de diepste krochten van de hel. Toen de lach was uitgestorven, lag daar, waar
eens de edelsteen lag, niets meer. Als dansende vonken verwijderden zich kleine insecten in de
vallende nacht. Vanaf dat ogenblik dansen de vuurvliegen bij nacht, want zij zijn niet meer voor
de dag geschikt, waarvoor de edelsteen eens werd geschapen.

Zoals in het sprookje de edelsteen, zo gaat het in het leven ook de mensen vaak. Of wij nu ook
leven in een sfeer of in een wereld, wij willen altijd zo graag erkend worden en gezien worden. Wij
menen, dat onze schoonheid, de erkenning van ons wezen zo belangrijk is. Naarmate het leven
ons slijpt en ontdoet van de aanhangsels van de al te ruwe menselijkheid, of geestelijk onbewust-
zijn, schitteren wij en glanzen beter, omdat wij meer Goddelijk Licht kunnen weerkaatsen.

Dan zien wij steeds meer waarheid uit onszelf geboren worden, maar vaak zijn wij niet tevreden,
want dan komt het leven en het leven is zo groot en machtig. Het lijkt ons, of niemand ons meer
erkennen kan. Het is ons niet genoeg zo voort te bestaan. Dan willen ook wij, juist als de
edelsteen, ten koste van alles gezien en gekend worden; het hindert niet hoe. Dan roepen wij
dezelfde boze machten op; alleen worden wij geen vuurvliegen. Wij dansen niet als vonkjes door
de nacht. Dan worden wij tot de dwaallichten van de mensheid, de dwaallichten van de sferen.
Dan zijn wij als degenen, die steeds weer trachten goed te doen, maar toch egoïst moeten
blijven. Degenen, die altijd weer verklaren Geestelijk Licht te brengen en in feite niets anders zijn
dan waan, die danst in de duisternis.

De waarheid van de esoterie is niet, dat het "Ik" erkend moet worden, maar dat het "Ik" God
moet erkennen.



Zo zijn er natuurlijk nog vele sprookjes. Ik heb er ook nog één, over een boom, n.l.





DE ESP



Weet u, waarom de esp zo met haar bladeren ritselt? Heel lang geleden leefde er eens een oude
vrouw. Die oude vrouw vond zich zelf zeer belangrijk en zij sprak dan ook ontzettend veel, altijd
maar weer, altijd maar weer, maar niemand luisterde. Wanneer er maar iemand in de buurt
kwam, begon zij onmiddellijk haar woordenvloed te spuien. Zij ratelde en zij plapperde (kletsen;
Red.), tot zelfs een voorbijganger weer uit het gezicht was verdwenen. Toen nu niemand naar
haar luisterde, besloot zij op zoek te gaan naar iemand, die wel zou luisteren. Het ergste was, dat
zij niet eens wist, waarover zij praatte. Wat zij vertelde was dan ook meestal de moeite niet
waard. Een enkele keer fluisterde zij wel eens een waarheid. Als zij luid sprak, dan waren het
meestal leugens over anderen. Zoekende trok zij overal voort. Uiteindelijk kwam zij bij een
kabouterkoning terecht. Want in de tijd, dat die oude vrouw leefde, waren er natuurlijk nog
kabouters. Omdat kabouters gastvrij zijn, zeiden zij tot de oude vrouw: "Wij zullen een woning
voor je bouwen en ook verder voor je zorgen." Dat vond de oude vrouw goed en zij begon te
praten. De kabouters bouwden haar een schitterend huis, de vrouw praatte door. Zij maakten
haar de kostbaarste kleren, de vrouw praatte door. Zij brachten haar het beste, heerlijkste
voedsel, de vrouw nam tenauwer- nood de tijd een enkele beet, een enkele teug tot zich te
nemen en praatte door.



Toen wensten de kabouters haar goedennacht, doch de vrouw liep achter hen aan en praatte
door. Omdat zij zo praatte en praatte, in volle overtuiging van haar eigen belangrijkheid, zochten
de kabouters naar een middel om haar het zwijgen op te leggen, zonder de gastvrijheid te
schenden. Zo gingen zij in wanhoop tot Titiana, de Koningin van de Nacht, die juist voorbij trok
met haar stoet van elfen. Zij zeiden: "Hoogheid, deze vrouw praat. Al dagen lang praat zij nu.
Wat wij ook voor haar doen, zij praat maar en verder doet zij niets. Kunt u nu iets daaraan doen?"

"Ach", glimlachte de Koningin van de Nacht, "ik zal eens kijken, wat dat oudje te vertellen heeft."
Zij zocht het oudje op en ook zij bemerkte, dat iedereen maar moest luisteren naar wat het oudje
vertelde over haar jeugd, over haar katten, die verstandiger waren dan een mens, over haar
kleinkinderen, die beter, en haar buren, die slechter waren dan iedereen. Ook zij moest luisteren,
terwijl de nacht verstreek en het oudje de wereld inlichtte over de kwaliteit van haar velden, de
stand van haar gezondheid en haar verhouding met God en de mensen, die steeds zonder vlek
was. Titiana luisterde en luisterde. Maar plots vroeg zij de oude vrouw:

"Wat zou je nu het liefste wensen?" "Iemand, die mij begrijpt, wanneer ik spreek". Zacht en wat
spottend lachte de Koningin van de Nacht en zei: "De enige, die je begrijpen kan, is de wind.
Want ook je woorden zijn wind, meer niet." Toen nam zij haar staf, sprak een toverspreuk en op



de plaats, waar de kabouters de woning hadden gebouwd, stond plots een grote boom, die met
alle bladen ritselde, zodra er maar een windje voorbij kwam, in de hoop door de wind begrepen
te worden. De tijd is oud geworden en voorbij gegaan. Wanneer er slechts een koeltje is, dan
ritselen nog de bladeren in de hoop, dat de wind ze zal verstaan en eindelijk iemand zal weten,
hoe belangrijk de oude vrouw eens was. Maar de wind gaat voorbij en dat is geen wonder, want
ook de bladeren hebben nog niet geleerd te spreken met verstand.



U denkt, dat dit misschien een kritiek op u inhoudt, maar dat is toch niet de bedoeling. Ik wil
eerder een vergelijking maken met onze gedachten. Je denkt zo vaak aan zoveel dingen tegelijk.
Je meent, dat elke gedachte belangrijk is. Je meent, dat dit in jou geboren, overal ter wereld
moet worden gehoord, erkend en uitgedragen. Je meent zo vaak, dat elke vleug van over-
denking, die je opvat, waarheid is. Ja, je meent, dat elk raadsel, wat jou opgelost schijnt, een
bevrijding voor de wereld betekent. Je oordeelt de wereld aan de hand van je eigen ervaringen.
Kortom, je gedachten flitsen heen en weer en hebben vaak maar weinig zin.

Het enige, waar het om gaat, verwaarloost u. Je spreekt over alle dingen, alsof je de waarheid in
pacht hebt, maar kunt niet eens de waarheid over jezelf spreken. Wanneer dan eens een kracht
komt, die je vragen zal: "Wat wens je, mens? Wat wens je, geest?" is het heel goed mogelijk, dat
je zult antwoorden, zoals die oude vrouw deed: "Ik wil begrepen worden." Maar hoe kun je
begrepen worden door anderen, wanneer je niet zelf je eigen inhoud en leven kent. Hoe kun je
iets uitdrukken, dat je niet in je draagt? Slechts zij, die waarheid in zich dragen, kennen het geluk
van een eeuwig leven en van een begrip zonder einde, dat hen omvat, ja, zelfs tot God voert. Zij,
wier woorden zijn als wind, wier gedachten zijn rusteloze vlagen zonder rijm of reden, zij zijn als
de boom, fluisterend tegen elke windvlaag, nooit tevreden, niet in staat in zichzelf de kennis te
gewinnen van het ware "Ik", daar zij alles trachten te veruiterlijken.



Dan heb ik nog een derde sprookje en dat wordt dan tevens het laatste. Dit sprookje zou op
geheel de wereld kunnen passen. Het ligt niet in een bepaalde tijd. Het zou evengoed vandaag
gebeurd kunnen zijn als duizende jaren geleden. Het is het sprookje van:





DE NAR



Er was eens een machtig man, die zozeer in beslag werd genomen door zijn zaken, dat hij voor
zijn amusement er een dwaas op na hield. Iemand, waarom hij lachen kon en door zijn snedige
antwoorden en dwaasheden zich een ogenblik de rust zou verschaffen, die hem in staat zou
stellen met nog grotere aandacht zijn zaken na te gaan.

Op een dag sprak de meester tot de dwaas: "Zeg mij eens, vriend, wat is jouw ideaal?" "Mijn
ideaal is te zijn wie ik ben." "Dat is niet veel." "Voor mij is het genoeg," antwoordde de dwaas,
"want als ik mijzelf ben, ben ik meer dan u"."Waarom?" vroeg de rijke en machtige man, en
glimlachte al bij voorbaat over het snedige antwoord, dat nu toch ongetwijfeld moest volgen.
"Omdat u", zei de nar, "door drukte... en zaken steeds vergeet uzelf te zijn". Nu was dat een
schop tegen het zere been. Het was zelfs pijnlijk, want de grote man wist, dat eigenlijk zijn
grootheid maar een waan was; dat zijn drukte voor 9/10 bestond uit beweging, die helemaal niet
noodzakelijk was.



Zijn nar, zo vond hij, mocht hem daarop echter niet wijzen. "Dwaas", zo sprak hij, "wanneer je
geen geestiger dingen te vertellen hebt, kun je beter gaan." "Ach", zei de nar, "het is het lot van
de dwaas, dat zijn waarheid nooit wordt begrepen, maar zijn leugen wordt wel verstaan." (De nar
zei dus:)"Wat zijt gij een groot en machtig heer". "Dat is teminste een verstandig woord", vond
de rijke man, "en maak nu maar eens een grapje." "Nu", zei de dwaas, "ik ken een aardig
raadseltje: wanneer alles is verbleekt en alles is vergeten, blijft er één ding over." "O, die
oplossing ken ik", zei de machtige man. "Dat is het grote zakenrijk, dat ik heb gesticht." "Neen,
dat zeker niet!" "Laat mij eens deken", zei de grote man. "Geld en goed misschien?" "O, neen",
zei de dwaas. "Geld en goed zijn de rouw van de erfgenamen. Dat is zo verdwenen." "Dat, wat je
voor anderen hebt betekend", en hij vond zichzelf zeer wijs. De dwaas begon te lachen... "Och,
meester, wat beteken je voor anderen meer dan gewin of gemak? Neen, meester, de oplossing
van mijn raadsel is anders." "Ik geef het op", zei de rijke man. "Wel, hetgeen dat overblijft als
alles verdwenen is, is het berouw over alles, wat je niet gedaan hebt." "Ja, dat kan ik mij wel
voorstellen" en hij glimlachte, terwijl hij dacht aan de vele keren, dat hij de zaken voor het meisje



had laten gaan. "Maar je bent nog niet geestig genoeg. Zeg mij eens, wat is de grootste
waarheid?" "De grootste waarheid", vroeg de dwaas, "de grootste waarheid is wel, dat iedereen
dwaas is, die zegt naar de waarheid te zoeken, zonder ze te willen leven." En toen kreeg hij zijn
ontslag...



Veel hoef ik hieraan niet toe te voegen. Of wij de dwaas willen zien als de klerk op een
bankierskantoor, als een toevallig eerlijke boekhouder, of als een nar aan een oud koningshof, hij
heeft veel van de stem van ons geweten, die in ons allen woont. Er is immers maar één ding
belangrijk in het leven: jezelf te zijn, nergens spijt over te hebben en altijd weer voor jezelf te
weten, dat je goed hebt gedaan. Wie dat niet doet, kan wel zeggen, dat het leven weinig om het
lijf heeft. Hoevelen van de hier aanwezigen denkt u, zouden in feite uiterlijkheid, stoffelijke
drukte en esoterisch gepraat voor de innerlijke werkelijkheid stellen? Hoevelen zouden er liegen
tegen eigen weten en verlangen in, omdat zij niet willen weten, wat zij eigenlijk zijn? Wanneer wij
daarop antwoord kunnen geven, al is het slechts voor onszelf, lossen ook wij een raadsel op.

De vraag waarom veel mensen ongelukkig zijn, vele geesten nog lange tijd in het duister blijven.
Want, vrienden, slechts degene, die zichzelf kent, aanvaardt en toch zich richt tot het goede, kan
Licht en vreugde kennen. Ik vrees, dat ik niet erg esoterisch ben geweest. Toch meen ik enkele
waarheden gezegd te hebben. Ik hoop, dat u deze dan vanavond voor lief wilt nemen.

Goedenavond.







HET SCHONE WOORD





VLUCHT



Een wereld van duister, door vlammen doorscheurd.

Een wereld vol lijden, door bloed gekleurd.

Een wereld van vrees en een wereld van angst,

waarin je haast ondergaat, vluchtend voor al wat gebeurt

in waan dan ondergaat.



Een taak, niet volbracht, een schuld, niet bekend.

Een wereld, van lijden zo zwaar,

dat het je lijkt ondragelijk groot

een wereld, zo vol van gevaar, dat je verkiest de dood.



Maar die vlucht brengt je tot leven niet,

die vlucht brengt geen Waarheid en Licht.

Zij doet je slechts keren tot ander bestaan,

tot sterven hernieuwd en tot plicht.



Maar wordt je gedragen tot Lichtende Kracht,

dan draagt het je op tot je geest, in een vlucht;

tot geestelijk zonnegloren, het zijn verlaat

en het wezen bevrijd vóór zijn Schepper staat.